De afval
Na de dood van Christus' apostelen werd er algemeen afgeweken van de waarheid. Dat wordt de afval genoemd. Toen Jezus Christus op aarde leefde, vestigde Hij zijn kerk. Na zijn hemelvaart gingen zijn apostelen onder zijn leiding door met het werk. Ze deden dat door openbaring en met zijn priesterschapsgezag. Toen de apostelen en veel getrouwe kerkleden waren gedood, en veel andere kerkleden afweken van de waarheid, nam de Heer het priesterschapsgezag en zijn kerk van de aarde weg. Zonder Gods priesterschapsgezag functioneerde de kerk niet meer zoals Christus ze oorspronkelijk had gevestigd. De verordeningen werden veranderd en er gingen veel duidelijke, eenvoudige waarheden verloren. Hoewel er veel goede mensen en een deel van de waarheid overbleven, ging de oorspronkelijke kerk verloren. De apostelen profeteerden al dat die afval zou komen. Een voorbeeld daarvan is Paulus' brief aan de Tessalonicenzen (2 Tessalonicenzen 2:1–3).
|